Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Was mijn doodsvijand mij dus gaan zoeken, Was boos gaan lastren in alle hoeken;

'k Had het geleden, en zijne vloeken

Geenszins gewroken;

Had die mij haatte, door zijn braveeren,

Mijn naam geschonden; 'k had zonder deeren, Lijdzaam verdragen al dit schoffeeren,

En stil gedoken;

7. Maar dus te lijden, in mijne ellende,

Van mijnen halsvriend, van mijn bekende, Van eenen leidsman uit mijne bende,

Dat kwetst in 't harte:

Die aan mijn zijde ten disch gezeten, Een zelfde spijze plag met mij t'eten,

Gods tempel opging, zonder te weten Van twist of smarte.

8. Dat hen de dood vrij ter aarde veile,

Met zijne keten knevele en knelle,

Levendig henenstorte ter Helle,

Die mij verklikken!

Want alle booshêen, die boozen loonen, ') In hunne hutten onder hen wonen,

Met hun verkeeren, tuchtigen troonen') In looze strikken.

9. Maar in het midden van zulk een lijen

Riep ik om noodhulp: God kwam mij vrijen; 's Morgens en 's avonds, en t' allen tijen

Zal ik Hem roepen,

Zal ik Hem klagen in het bijzonder;

Hij zal mij hooren kermen van onder,

Haastig verlossen, elk tot een wonder,

Bij alle troepen.

'j Versta: alle ongerechtigheen en onrechtmatige goederen, die de boozen zich tot loon nemen.

*) Versta: eerzamen verlokken.

Sluiten