Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PAUZE.

7. Maar d'Almacht, die de boosheid wreekt,

Den aartstiran De tanden in den bloedmuil breekt,

De macht en kracht der Godheid kan Den leeuw de kies ontrukken,

En kneust het bit in stukken.

8. Hij gaat teniet, gelijk een beek,

Die haast verzandt,

Heel snel verloopt, en in haar streek

Verbrandt, verdroogt. De hemel spant Zijn boog, en mikt: zij vallen, Zij sneuvlen met hun allen.

9. Zij smelten, weeker dan het was,

Dat henensmelt;

Gods vier stort op hen, als een plas

En stroom, met schrikkelijk geweld. De zon gaat met hen onder,

In 't onweêr van Gods donder.

10. Eer nog de dorens tot een haag

Zijn opgegroeid,

Zoo wordt van God de menschenplaag

Geheel verdelgd en uitgeroeid, En levend ingezwolgen,

Terwijl Hij is verbolgen.

11. D'oprechte ziet des hemels wraak

Met blijdschap aan,

En zoekt zijn handen, met vermaak, In 't goddelooze bloed te baan, Om, door dit vreeslijk bloeden,

Voor onheil zich te hoeden.

12. Dan roept elk: zoo de deugd gewis

Haar lof behaalt,

Voorzeker God, d' Almachtige, is

De rechter, die elkeen betaalt, En toelegt, in dit leven,

Naar 't geen hij heeft bedreven.

Sluiten