Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Wat schade kan 't mij doen, nu God mijn een'ge stut is, Waarop mijn stil gemoed zijn vastheid heeft genomen,

Nu Hij mijn troost, mijn heil, mijn eer, mijn sterkt, mijn schut is, Waarachter ik mij berg en niet behoef te schromen?

5. O menschen, wie gij zijt, wilt gij uw hoop vast leggen, Zoo legt z'op God alleen: Is angst in uwe harten,

Hem moogt gij onbeschroomd 't gemoed heel uit gaan zeggen: Geen toeverlaat dan God in alle nood en smarten.

PAUZE.

6. Maar menschen, wat zijn die? met recht voor niet te achten: De grootsten onder hen en 't allerhoogst gekomen,

Die zullen uit hun doen wat groots en wonders wachten: En als 't al is gewacht, zoo zijn 't maar dwaze droomen.

7. Hoe ijdel zijn zij toch tezamen met elkander!

Wilt gij verstaan hoezeer? neemt twee gelijke schalen,

Legt slechts den mensch in d'een en d'ijdelheid in d'ander: Dan blijkt het, d'ijdelheid zal nog den mensch ophalen.

8. Op onrecht of geweld, door uwe hand bedreven,

Verlaat u daar niet op; noch op uw slimme gangen; En komt u ongezocht de rijkdom toegedreven,

Zoo laat, als waar 't een god, uw hart daar niet aan hangen.

9. Och wat een troostzaam woord heeft God van zich gegeven! (Een woord dat ik somtijds heb hooren na verhalen)

Dat geen dan hij alleen van allen die er leven

Macht heeft, en goed noch kwaad naar waarde kan betalen.

10. 't Is een waarachtig woord, dat Gij ons hebt gesproken: Want Gij, Heer (ik beken 't) zijt goedig en genadig:

't Goed wordt van U geloond, het kwaad van U gewroken Gij doet elk naar hij is, 't zij deugdig of misdadig.

PSALM 63.

1. o God! in 't schemerend genaken Des dageraads, als ik Aanschouw den eersten blik Van 't licht, begint mijn hart t'ontwaken,

Sluiten