Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Eeuwig heerscht Hij uit den Hoogen,

Met een ongeleende macht.

Niemand schuilt voor d'alziende oogen,

Wie Hem tergt op zijne wacht,

Stoffe niet; want Gods geweld D'allersterksten nedervelt.

1. PAUZE.

6. Looft deez' Godheid, o gij volken!

Onze Godheid, anders geen.

Voert zijn lof tot aan de wolken.

Hij verzekert mijne treên,

Mijne voeten, dat ze niet Slippen, wankelbaar als riet;

7. Want Gij proeft ons, hier verschoven

In veel rampen, als metaal,

Als het zilver in den oven,

Dat, gelouterd door den straal Van de vlamme, laat in 't stof, Wat toevallig is en grof.

8. Gij verstoot ons in de banden

Van den vijand, legt zijn juk Op ons nekken met zijn handen,

Laat ons trappen in den druk,

Laat hem ons, van helm beroofd, Trappen op 't ontwapend hoofd.

9. Daar ze lachen, dat het schater',

Voert ge ons hene' in slavernij,

Door de proef van vier en water;

Eindlijk stelt Ge ons frank en vrij, Daar de rug geen juk gevoelt,

En de schaduw 't hart verkoelt.

10. 'k Zal mij in uw hut verblijden, En brandoffers op 't altaar Uwen naam ter eere wijden,

Mijne kerkbeloften daar U betalen, God, mijn hoofd!

Als mijn mond U heeft beloofd.

Sluiten