Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Gij koninkrijken! zingt Gods lof;

Heft psalmen op naar 't hemelhof,

Van ouds zijn troon en woning. Daar Hij, bekleed met eer en macht, Zijn luide donders zendt met kracht,

En heerscht als Zions Koning! Geeft prijs aan onzen God en Heer; Hij heeft in Israël zijn eer

En hoogheid willen toonen;

Erkent dien God; Hij is geducht; Hij doet zijn legers boven lucht En boven wolken wonen!

17. Hoe groot, hoe vreeslijk zijt G'alom, Uit uw verheven heiligdom,

Aanbiddlijk Opperwezen!

't Is Isrels God, die krachten geeft, Van wien het volk zijn sterkte heeft, Looft God! elk moet Hem vreezen.

PSALM 69.

o God! verlos en red mij uit den nood; De waatren zijn tot aan de ziel gekomen;

Ik zink in 't slijk; ik voel mij overstroomen;

Ik ga te grond; de vloed is mij te groot.

Ik roep mij moe in dezen jammerstaat;

Mijn keel is heesch, zij is van droogt' ontsteken;

En, daar ik hoop op God, mijn' toeverlaat,

Schrei ik mij blind; mijn oogen zijn bezweken.

Men telt veeleer de haren van mijn hoofd,

Dan hen, die mij, doch zonder oorzaak, haten; Men zoekt mijn' dood; geen onschuld mag mij baten Hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd. Men eischt van mij, daar ik m'onschuldig ken, 't Geroofde weêr, 'k moet voor voldoening zorgen.

Gij weet, o God! hoe ver ik strafbaar ben; U is mijn schuld, mijn dwaasheid, niet verborgen.

Sluiten