Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Zij zullen U eerbiedig vreezen,

Zoolang er zon of maan Bij 't nageslacht ten licht zal wezen,

En op- of ondergaan.

Hij zal gelijk zijn aan den regen,

Die daalt op 't late gras; Aan droppels, die met milden zegen Besproeien 't veldgewas.

7. Gelijk in zoete lente-dagen

Het bloemsken weeldrig groeit, Tot aller oogen welbehagen,

Terwijl het staat en bloeit;

Zoo zal men ook te zijnen tijden

Den vroomgezinden mensch In allen welstand zien verblijden Naar vollen hartewensch.

1. PAUZE.

8. Wie zal de waardigheid verhalen

Van 't rijk, zoo rijk aan vrêe?

Zijn heerschappij kent geene palen

Van eengen tijd of steê.

Van zee tot zee, van rijk tot rijken

Gebiedt zijn elpen staf,

Totdat de mane gaat bezwijken En valt ten hemel af.

9. Het woeste volk zal voor hem knielen;

Zijn vijand likt het stof;

En Tharsis voert met rijke kielen,

Geschenken naar zijn hof;

Met giften zullen, langs de stroomen,

De Koningen der zee,

En Scheba nevens Seba komen, Met heil- en vredebeê.

10. Ja! elk der vorsten zal zich buigen,

En vallen voor hem neer!; Al 't heidendom zijn lof getuigen, Dienstvaardig tot zijn eer.

Sluiten