Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Gij evenwel, Gij zijt het, God! daar ik op sta, en hoop op

Gij zijt het al hetgeen ik heb. [schep;

Wie van U wijkt op zulken weg, die niet van uwe wegen is,

Die is den ondergang gewis.

Want Gij doodt elk die U begeeft, en, als een vrouw haar Van U tot vreemde goden gaat. [man verlaat,

16. Het allerbeste, dat ik kan, mijns harten allerhoogste lust,

Der ziele allerwiste rust,

Dat is, dat ik aan Ood mij houd, en mijn betrouwen op Hem En zijne daden voortvertel. [stel

PSALM 74.

1. Waarom, o God! zijn wij in eeuwigheid Van uwe gunst en uw gena verstoken?

Hoe kan uw grimmigheid zoo fel nog rooken, De kudde teistren, van uw hand geweid?

2. Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond; Denk aan uw volk, door U van ouds verkregen; Denk aan uw erf, het voorwerp van uw zegen,

Aan Zions berg, daar G'eertijds hebt gewoond.

3. Ruk spoedig aan; verdubbel uwe schreên,

Zie, hoe de stad verwoest ligt en vergeten; Des vijands macht heeft alles neergesmeten,

Uw heiligdom verkorven en vertreên.

4. Uw vijand heeft, ter plaatse van 't gebed,

Gelijk een leeuw gebruld, bij 't zegevieren;

Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren,

In trotschen moed, tot teekenen gezet!

5. Elk woedt om strijd, en toont zich onbeschroomd; Men houwt en hakt, dat poort en bindten beven* Gelijk men slaaft om bijlen aan te geven,

En ijvrig kapt en kerft in 't dicht geboomt.

Sluiten