Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Zou de Heer zijn gunstgenooten, Dacht ik, dan altoos verstooten? Niet goedgunstig zijn voortaan? Nimmer ons weer gadeslaan ? Zouden zijn beloftenissen Verder haar vervulling missen, Vrucht'loos worden afgewacht, Van geslachte tot geslacht?

PAUZE.

6. Zou God zijn gena vergeten?

Nooit meer van ontferming weten? Heeft Hij zijn barmhartigheên Door zijn gramschap afgesneên? 'k Zei daarna: Dit krenkt mij 't leven; Maar God zal verandring geven;

Zeker wacht mij beetre stand Van des Heeren rechterhand.

7. Ik wil liever zijn indachtig

Al zijn daden, groot en machtig, Die van oude tijden aan Hij zoo heerlijk heeft gedaan. Ik wil ijverig gaan merken Op zijn onvolprezen werken,

En, in steê van bittre klacht, Daarvan tuigen dag en nacht.

8. Heilig zijn, o God! uw wegen; Niemand spreek' uw hoogheid tegen!

Wie, wie is een God als Gij, Onbegrensd van heerschappij! Ja, Gij zijt die God, die d'ooren Wondren doet op wondren hooren; Gij hebt uwen roem alom Groot gemaakt bij 't heidendom.

Sluiten