Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De woestenij gaf zuivre watervlieten,

Die d'Almacht uit de steenrots voort deed schieten, Gelijk een stroom, die, golvend afgegleên,

Zijn armen spreidt door al de velden heen.

2. PAUZE.

9. Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden, Nog pleegden z'in 't vervolg de snoodste zonden. In 't woest gewest uit vetter land getogen, Vergramden zij des Allerhoogsten oogen;

Verzochten God, en eischten, ten bewijz'

Van zijne macht, naar hunne lusten, spijs.

10. Zij spraken stout: „Kan God in wildernissen Ook keur van spijs op onze tafel disschen?

't Is waar, Hij sloeg de rots, en deed de stroomen, In overvloed, uit harde klippen komen;

Maar, is zijn macht zoo onbepaald en groot, Hij geef dan hier zijn volk ook vleesch en brood.

11. Dit hoorde God, en werd op 't hoogst verbolgen; Zijn vuur ontstak om Jakob te vervolgen;

De felle toorn van 't eeuwig Opperwezen Deed Israël al sidderende vreezen;

Omdat zij niet geloofden aan Gods mond,

Noch op zijn heil vertrouwden naar 't verbond.

12. Daar God, voor hen bezorgd, in hunne nooden De wolken zelfs van boven had geboden,

De hemeldeur ontsloten, mild in 't zeeg'nen, En 't manna doen rondom hun tenten reeg'nen; Opdat zijn volk ten blijk van zijne trouw, Dit hemelkoorn op reis genieten zou.

3. PAUZE.

13. Elk mocht zijn brood, zoo mild hem toegemeten, Dat won derbrood der machtigen nu eten:

Den teerkost tot verzading hun gegeven. Een oostewind werd door Hem voortgedreven, En 't zuiden gaf, in 't aangevoerde zwerk,

Geen minder blijk van zijn krachtdadig werk.

Sluiten