Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Toen daalde 't vleesch, als stof en dichte regen. Een groote vlucht van vooglen, neêrgezegen,

In menigte gelijk aan 't zand der stranden,

Viel toen van zelf hun rijkelijk in handen;

Viel, op Gods wenk, rondom elks woning neêr, En spijsde 't heir van Isrels Opperheer.

15. Toen aten zij, en werden zat van eten;

Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten;

Maar eer hun drift en toomeloos begeeren, Waarmee dat volk Gods Almacht dorst onteeren,

Verzadigd was, ziet daar de straf terstond, Terwijl de spijs nog was in hunnen mond.

16. Ziet daar Gods toorn, gelijk een vuur ontstoken; Zijn eer werd op hun machtigsten gewroken,

Daar plaag op plaag geweldig nedervelden

't Aanzienlijkst deel, het puik van Isrels helden. Maar 't volk ging voort, hun ongeloof hield aan God had vergeefs zijn wonderen gedaan.

4. PAUZE.

17. Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen Vergaan, en, door een reeks van felle plagen, In schrik en angst hen slijten hunne jaren;

Maar bracht Hij hen opnieuw in doodsgevaren,

Dan vraagden zij naar God, en keerden weêr, En zochten vroeg, uit bange vreez', den Heer.

18. Dan dachten zij, hoe 't eeuwig Opperwezen Hun rotssteen was, en hoe, in angst, voordezen De hooge God verlossing had gezonden:

Dan vleiden zij Hem valschlijk met hun monden, En bukten laag, omdat de nood hen drong,

Maar logen Hem met hun geveinsden tong.

19. Hun hart was boos, vervuld met slinksche streken; Van zijn verbond was groot en klein geweken,

Doch God vergaf barmhartig hunne schulden; Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden;

Hij wendde zelfs zijn gramschap dikwijls af, En wekte nooit zijn gansche wraak ter straf.

Sluiten