Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Maar mijn volk wou niet Naar mijn stemme hooren ;

Israël verliet Mij en mijn geboón;

't Heeft zich andre goön, Naar zijn lust, verkoren.

14. 'k Liet hen dies, veracht,

Naar 't hun goeddacht, handlen, 'k Liet dit boos geslacht, Naar de keuze viel Van hun dwaze ziel,

In hun wegen wandlen.

15. Och! had, naar mijn' raad,

Zich mijn volk gedragen'

Och! had Isrels zaad Op mijn effen paan IJvrig willen gaan,

Naar mijn welbehagen'

16. 'k Had hun haters ras En geheel verslonden;

Wie hun tegen was Had, aan alle kant,

Mijn geduchte hand Zeker ondervonden.

17. Haters van den Heer Hadden Hem gegeven,

Schoon geveinsd, zijn eer; Ook zou Isrels tijd,

Van de smart bevrijd Eeuwig zijn gebleven.

18. 'k Had u dan tot spijz'

Vette tarw doen groeien;

En u, ten bewijz'

Hoe ik u kon voên, Honingbeken doen,

Uit de rotsen vloeien!

Sluiten