Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Jeruzalem, hoe vreugdenrijk

Wil deze samenwoning van Uw burgren klinken, als muzijk

Van kelen en éen snaargespan! Al wat men in u hoort en ziet, Is vroolijkheid en anders niet.

PSALM 88.

1. Ik roep tot U gestadig, God, daar mijn hoop op staat,

't Zij dat de lichte zonne of op- of ondergaat.

De beden, die ik bidde, de klachten die ik doe,

En sluit toch uwe ooren, uw hart daarvoor niet toe.

2. 't Gemoed, dat afgefoold is door jammer en verdriet,

Dunkt, dat het voor zijn oogen den dood reeds dolen ziet; Het lichaam heeft geen krachten, de geest is zonder moed: Ik ben als die vast sterven, dien niemand hulpe doet.

3. De dood komt mij bespringen, het hart is klein en laf; En denkt in al zijn denken niet anders dan aan 't graf. Ik ben gelijk de dooden, die Gij wel haast vergeet,

De dooden in de graven, daar niemand iets van weet.

4. De dooden daar in 't leven geen levenshoop voor is,

Maar eeuwig zijn bedolven in diepe duisternis.

Ik ben als een gevangen, die diep in 't duister leit,

Van 't eene uur in 't ander een wreeden uitgang beidt.

5. Gij perst m'en houdt mij neder: 't schijnt voor 't gemoed,

[dat schroomt,

Dat Gij met al de stroomen van gramschap op mij koomt. Mijn vrienden, die mijn vrienden geweest zijn (laas!) weleer, Die vluchten voor mij henen en zijn geen vrienden meer.

6. Zij schuwen m'al te zamen, niet anders dan een klip,

Die door 't beleid des stuurmans geschuwd wordt van een schip. Want 't is met mij niet anders dan met een heilloos man, Die sterk geboeid met ijzers zich niet ontworstlen kan.

Sluiten