Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De hemel looft, o Heer! uw wondren, dag en nacht; Uw waarheid wordt op aard de glorie toegebracht;

Daar uw geheiligd volk van uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En, welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten, Wie hunner is, o Heer! met U gelijk te schatten?

1. PAUZE.

4. God is op 't hoogst geducht in zijnen Heilgen raad, En vreeslijk boven 't heir, dat om zijn rijkstroon staat.

Wie is als Gij, o Heer! o God der englenscharen?

Wie is aan U gelijk? wie kan U evenaren?

Grootmachtig zijt G'o Heer! ja eindloos in vermogen; Uw onverbreekbre trouw omringt U voor elks oogen!

5. Gij temt de woeste zee, zij luistert naar uw' wil:

Hoe hoog zij zich verheff', Gij wenkt, en zij is stil.

Heel Rahab is door U verbrijzeld, gansch verslagen; Uw vijand is verstrooid, uw arm heeft roem gedragen! En aard' en hemel, en wat leeft, of ooit zal leven,

Zijn d'uwe; 't gansch heelal helst Gij 't bestaan gegeven!

6. Gij schiept het barre noord' en 't zoele zuiden saam: Ginds juicht een Thabor, hier een Hermon in uw naam.

Gij hebt een arm met macht; uw hand heeft groot vermogen: Uw rechterhand is hoog; uw troon blijft, onbewogen, Van recht en van gericht zijn vasten steun ontleenen; En waarheid en gena gaan voor uw aanschijn henen!

7. Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!

Zij wandlen, Heer! in 't licht van 't godlijk aanschijn voort. Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden. Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in 't

[lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,

Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.

2. PAUZE.

9. Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt,

Gezegd in een gezicht, dat zoo veel troost bevat:

Sluiten