Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Wie helpt mij tegen al de boozen? Wie wederstaat die goddeloozen?

Zoo mij de Heer, mijn schild en loon, Geen sterken bijstand had geboön; Dan waar' mijn leven ras verkort, En ik in 't donker graf gestort.

10. Wanneer ik zei: „mijn voeten glijden," Dan hebt Gij mij gesterkt in 't lijden.

Wanneer mij 't afgepeinsde hart Door al mijn denken werd verward, En ik in wee schier was verstikt, Dan heeft uw troost mijn ziel verkwikt.

11. Zou ooit de stoel der schandlijkheden Bij uwen troon een plaats bekleeden,

Die moeit' en wetten boos verdicht? Zij rotten saam, en wars van licht, Verdrukken zij het vroom gemoed; Ja doemen zelfs 't onschuldig bloed.

12. De Heer, mijn Bondgod, was voordezen, Mijn hoog vertrek in al mijn vreezen,

Mijn steenrots en mijn toeverlaat. Hij straft de boozen, wreekt hun kwaad, En loont hun boosheid met den val; 't Is God, die hen verdelgen zal.

PSALM 95.

1. Koomt nu herwaart! laat ons springen,

Huppelen ter eere van God, die ons behoeden kan,

Laat ons voor Gods aanschijn zingen, En krioelen, zang en snaar Huwen, om dien Zegenaar,

Met muziek en harpe en klanken,

Uit een dankbaar hart te danken;

2. Want de Godheid, die wij eeren,

Is oneindig groot van macht,

Wijsheid, goedheid, hooggeacht Koning boven alle heeren,

Sluiten