Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Wilt aan het heidendom verklaren,

Dat God, de Heer der legerscharen

Heeft 's werelds strenge heerschappij. Aan alle volkeren zal Hij Zijn recht en macht nu openbaren.

9. Dat zich de heemlen des verblijden, Het aardrijk jubel' allerzijden,

Des huppel' berg- en heuveltop, Des spring' vallei en rotskloof op, Om 's Heeren komste te belijden.

10. Des moet tot boven toe van ondren De oceaan van vreugde dondren,

Des moet het veld, met wat het geeft, Het woud met al wat daarin leeft,

Ontzag doen blijken voor Oods wondren.

11. 't Juich' al voor 't aangezicht des Heeren. Hij naakt, die d'aarde zal regeeren

En richten vol van majesteit!

De wereld zal gerechtigheid, Het menschdom zijne waarheid eeren.

PSALM 97.

1. De Heer beheerscht de wereld uit den hoogen. Het aardrijk juiche; elk eiland heff' zijn oogen

En hart met vreugd naar d'Oppermajesteit, Die 't al bestiert wat voor zijn voeten leit.

2. Al hangt Gods troon rondom met dikke wolken En duisternis, voor 't aangezicht der volken,

Bedekt, nog staat zijn recht en oordeel vast, Dat op bedrog en gunst noch ongunst past.

3. Verslindend vier, trouwanten, snel als winden, Vooruitgestierd, vernielen en verslinden

De vijanden der Godheid, die zich wreekt, En straft al wat haar vierschaar tegenspreekt.

Sluiten