Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat de stroomen van de landen,

Nu verheugd,

Vroolijk klappen in hun handen,

Rijk van vreugd.

Dat de bergen zich beroeren!

God verschijnt,

Om elks landrecht uit te voeren,

Dat nu kwijnt.

Hij zal al het aardrijk rechten

Naar zijn wet, 't Ongelijk des volks beslechten, Zonder smet.

PSALM 99.

1. God, de Heer, regeert! Beeft, gij volken! eert,

Eert zijn hoog bestel, Die bij Israël Tusschen Cherubs woont, En zijn grootheid toont;

Dat zich d'aard bewege; Hij is Isrels zege!

2. God, die helpt in nood, Is in Zion groot;

Aller volken macht Niets bij Hem geacht! Buigt u dan in 't stof, En verheft met lof,

't Heilig Opperwezen;

Wilt het eeuwig vreezen.

3. Looft met hart en stem, Looft de kracht van Hem, Die het recht bemint

In zijn rijksbewind! 't Recht hebt Gij gestaafd; 't Geen G'aan Jakob gaaft, Toond' aan Isrels leden Zede en billijkheden.

Sluiten