Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als ik, in benauwde dagen,

U, mijn God, mijn leed moet klagen; Wil dan spoedig U ontfermen, Wil mij door uw macht beschermen!

2. Want mijn leeftijd is door weenen, Als een ijdle rook, verdwenen;

Mijn gebeent', in droeven stand, Als een haardsteê uitgebrand. Mijne ziel, door rouw bezweken, Kwijnt als 't gras in dorre streken; 'k Heb in mijn ellend' vergeten Mijn gewone spijzen t'eten.

3. 'k Voel de krachten mij begeven,

't Vleesch aan mijn gebeente kleven, Wegens mijn benauwde klacht, Die ik uitstort dag en nacht. Ik gelijk, in 't eenzaam kwijnen, Aan den roerdomp der woestijnen, Aan den steenuil in de wouden,

Daar geen menschen zich onthouden.

4. 'k Slijt den nacht in eenzaam waken, Als een muschj' op stille daken;

Daar mijn wreevle vijand raast, En door hoon mijn ziel verbaast. Zij, die mijn bederf betrachten, Mij den ganschen dag verachten, Mij in 't openbaar onteeren,

Durven roekloos bij mij zweren.

1. PAUZE.

5. D'asch verstrekt mijn kwijnend harte Thans tot brood in zooveel smarte;

Daar ik mijnen drank vermeng Met de tranen, die ik pleng.

Heer! uw gunst had mij verheven; Maar nu mij uw toorn doet beven, Zie ik mij van glans ontblooten, Mij in 't stof ter neêr gestooten.

Sluiten