Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot Baal-Peors dienst begeven;

Zij aten 's afgronds offerand';

Doch t kostt aan duizenden het leven;

Gods wraak ontstak in feilen brand. '

17. Toen weerde Pinehas de straf;

Die, moedig, 't recht voldoening gaf, En t eerloos bloed langs d'aard deed stroomen;

Die daad, ten zoen voor 't volk volbracht,

Deed hem een eeuwig' eer bekomen,

Die stand hield bij zijn nageslacht.

Zij tergden, twistend, Gods gena,

Bij 't wonderwater Meriba,

Verbitterden den knecht des Heeren;

Hij sprak in onbedachtzaamheid;

Dies moest hij 't vruchtbaar land ontberen, Den ganschen volke toegezeid.

5. PAUZE.

19. Zij spaarden volken, tot Gods hoon,

Die Hij bevolen had te doön;

En, aan der heidnen stam verbonden,

Vervielen zij tot afgodsdienst,

En wrochten, door gelijke zonden,

Zich zelv' een strik, op 't onvoorzienst.

20. Men zag hen zelfs, door drift verblind, Hun dierbaar kroost, hoe teêr bemind,

Den duivelen ten offer brengen.

Men zag hen, trouwloos en verwoed,

Op Kanans vloekaltaren plengen Der kinderen onschuldig bloed.

21. Die onnatuurlijk' offerand',

Die bloedschuld bracht een smet op 't land. Zij werden onrein door hun daden,

Door hoererij en vuil gedrag;

Zij durfden Isrels God versmaden;

Maar beelden toonden zij ontzag.

15

Sluiten