Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zond zijn krachtig woord; Hij deed hen bij zich schuilen, Bracht hun genezing voort, En rukte z'uit hun kuilen.

11. Laat zulken eer bewijzen

Aan 's Heeren gunst en macht, En al zijn wondren prijzen Voor 't menschelijk geslacht! 't Lofoffer word' om strijd Hem juichend' opgedragen,

Terwijl zij wijd en zijd Van al zijn werk gewagen!

2. PAUZE.

12. Zij, die de zee bevaren

Met schepen, rijk bevracht,

Zien op de groote baren

Gods wijsheid, kracht en macht; Daar leeren zij de daan Des Heeren klaar bemerken,

En in de diepe paan Zijn groote wonderwerken.

13. Hij wekt, met slechts te spreken,

Een' stormwind voor hun oog; Dan beeft het al, dan steken De golven 't hoofd omhoog. Nu ziet men 't schip de lucht, Dan weer den afgrond naadren;

Hun hart geeft zucht op zucht, Hun bloed verstijft in d'aadren.

14. Zij dansen, wagglen, vallen,

Gelijk een dronken man; De wijsheid van hen allen, Hoe groot, bezwijkt er van.

Doch toen zij in 't gebed, Tot Isrels Heer zich wendden,

Heeft hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden.

Sluiten