Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar God zijn zegen geeft, En 't huis vervult met kindren,

En 't vee, dat ieder heeft, Op 't veld niet doet vermindren.

20. Maar, wil dit volk niet bukken

Voor God, 't wordt ras verneêrd; 't Raakt t'onder door verdrukken; Het wordt van 't kwaad verteerd: Daar Hij zelfs Prinsen slaat, Op wie Hij hoon doet dalen,

En die Hij tot een' smaad Doet in het woeste dwalen.

21. Maar die nu hulploos kennen,

Verdrukt en vol gebrek,

Brengt God, door vrij ontfermen, Haast in een hoog vertrek; De vruchtbaarheid verheugt Hun huis van ganscher harte.

D'oprechten zien 't met vreugd; Maar d'ondeugd zwijgt met smarte.

22. Wie wijs is, merk' die dingen;

En geev' verstandig acht Op 's Heeren handelingen,

Zoo vol van gunst als macht.

PSALM 108.

1. Mijn hart, o Hemelmajesteit!

Is tot uw dienst en lof bereid;

'k Zal zingen voor den Opperheer; 'k Zal psalmen zingen tot zijn eer! Gij, zachte harp! gij, schelle luit! Waakt op! dat niets uw klanken stuit' 'k Zal in den dageraad ontwaken, En met gezang mijn God genaken.

Sluiten