Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. De Heer wou mij wel hard kastijden,

Maar stortte mij niet in den dood; Verzachtte vaderlijk mijn lijden,

En redde mij uit allen nood.

Ontsluit, doet op voor mijne schreden

De poorten der gerechtigheid;

Door deze zal ik binnentreden,

En loven 's Heeren majesteit!

10. Dit is, dit is de poort des Heeren:

Daar zal 't rechtvaardig volk door treên, Om hunnen God ootmoedig t'eeren,

Voor mildheid zijner zaligheên.

Ik zal uw naam en goedheid prijzen:

Gij hebt gehoord! Gij zijt mijn geest, Door uw ontelbre gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest!

3. PAUZE.

11. De steen, dien door de tempelbouwers

Verachtlijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbijstring der beschouwers,

Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen,

Door 's Heeren hand alleen geschied; Het is een wonder in onz' oogen;

Wij zien het, maar doorgronden 't niet.

12. Dit is de dag, de roem der dagen,

Dien Isrels God geheiligd heeft;

Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,

Hem roemen, die ons blijdschap geeft. Och Heer! geef thans uw zegeningen!

Och Heer! geef heil op dezen dag! Och, dat men op deez' eerstelingen Een rijken oogst van voorspoed zag!

Sluiten