Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. 't Opgeblazen volk dicht leugens en daar drukt het mij mee neer, Ik uit ongeveinsder harten voeg mijn leven naar uw leer. Waarom ? 't Hart is hun te welig door het vet, daar 't zacht in drijft, Mijn hart niet en daarom is het, dat uw wet daarin beklijft. Dat Gij mij hebt verootmoedigd, is mij lief en aangenaam: Want om uwe wet te leeren, vind ik mij daardoor bekwaam. Daarom is zij mij veel zoeter en wordt meer van mij bemind Dan al 't goud en al het zilver dat men op der aarden vindt.

9. PAUZE.

19. Wil mij, die Gij hebt geschapen door uw Goddelijke hand

't Hart herscheppen door uw leering en formeeren het verstand. Die U vreezen zien mijn leven en het is hun ziel een vreugd, Dat mijn ziel op uw beloften zoo vrijmoedig zich verheugt. Al uw vonnissen zijn zuiver en mijn leven, Heer, was kwaad: Dat Gij mij dan hebt vernederd is een overtrouwe daad.

Doch dewijl ik naar uw wetten nu mijn heil richt en geluk, Bid ik, als Gij mij belootdet, dat Gij m'aan den kuil ontruk'.

30. Laat op mij uw mededoogen vloeien als een zoete dauw, Opdat ik het lachend leven vredig en in rust behou.

Hoon de trotschen, die mij hoonen door hun valsche logentaal, Omdat ik hun ooren lastig altijd van uw wet verhaal.

Och! of ik ze die U vreezen zoo aan mij verbinden kon, Dat ik immer mocht genieten van hun vriendschaps milde zon; En mijn hart geheel rechtschapen in uw wetten blijven mocht, Zoodat ik tot mijn verkleining nooit in schande werd gebrocht.

10. PAUZE.

21. 't Hart, geprangd, verlangt naar ruste, 't hart dat dikwijls

[angstig kreunt,

't Hart waar' overlang bezweken, waar' 't van hoop niet ondersteund :

D'oogen zien naar uw beloften: 't hart, zwaarmoedig en beschroomd,

Doet de tong zorgvuldig spreken: Heer, wanneer is 't dat Gij

[koomt ?

't Lichaam is mij uitgemergeld, al de leden, laf en zwak,

Zijn niet anders dan een droge en verschrimpte lederzak. Ik nochtans, uw trouwe dienaar, midden in ellend' en druk, Ben bekommerd met uw wetten, wacht van U alleen geluk.

Sluiten