Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Geen vaak dekt' ooit zijn oogen,

Nooit had hij sluimrens lust, Dies wij vrijmoedig mogen Gaan nemen onze rust.

Zijn hulp, die Hij doet blijken,

Welk' alle leed verdooft, Die mag men vergelijken

Een schaduw boven 't hoofd.

5. De zon ten hoogen dage,

Schoon zij al brandend steekt, Kan door haar hit niet plagen,

Als Hij haar krachten breekt; De maan ten vochten nachte,

Schoon zij de leên verkoudt, Heeft op ons leên geen krachte, Als Hij z'in warmte houdt.

ó. Geen euvel kan u deren,

Hetzij gij buitenshuis U zei ven moet geneeren,

Daar is geen vrees voor kruis; Hetzij gij binnen deuren

In uwe woning zijt,

Geen kwaad kan u gebeuren : Hij waakt in eeuwigheid.

PSALM 122.

1. Wanneer ik over 't hoofd Jeruzalems zie hangen

Het uitgetogen zwaard, dat haren schedel dreigt: Wanneer ik Zion zie met ketenen gevangen,

En dat zoo schoone zon haar kruin ter aarde neigt

2. Als ik ons daken zie en muren omgevallen,

Geëffend met het gras, dat 't laagste dal besloeg, En 't pratte Babiion met de trofeên gaan brallen, Die David zegerijk den Filistijn ontjoeg:

Sluiten