Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. PAUZE.

11. De ijver mij verslindt, en krenkt bijna mijn zinnen,

Wanneer ik vieren help op 't statigst 't hooge feest; Dan ben ik nauwlijks mensch, maar een der Cherubinnen, Mijn lichaam is wel hier, maar elders is de geest.

12. Men ziet een wereld hier van menschen samendringen,

Van wijd en zijd te hoop vergaderd op een steê:

Gelijk de vloeden, die van hier en daar ontspringen, En geven zich op 't lest uit de engten in een zee.

13. De priesterlijke rei, welriekende van 't smeren l),

Uitmuntend in sieraad, elks aanzicht tot zich haalt; In rokken, gordels, hoên, en geschakeerde kleeren,

In goud en klaar gesteent het oog bijna verdwaalt.

14. 't Slachtoffer, eerst gehecht, geknoopt aan 's altaars hoornen,

Met zijn warm ingewand het heilig plat beslaat;

De hemel, die zich om 's volks zonden ging vertoornen, Op de offeranden ziet, en zich verzoenen laat.

15. Daar vangt dan 't loven aan, daar zingt men Qode psalmen;

De wind, het snarenspel, en 't Goddelijk muzijk In 't hangende gewelf doen de Echo wedergalmen; Dan juichen ze als om strijd met d'Englen algelijk.

16. O, paarle van het rijk! o, hoofdstad uitgelezen!

Nog zwijge ik, dat in u van elpenbeen en goud Staat, vol van majesteit, de rechterstoel gerezen,

Daar elk zijn vonnis haalt als Juda vierschaar houdt.

17. Hier dringt men voor 't paleis; d'een moet den koning spreken,

En d'ander hem te zien is al zijns harten wensch: Zoo fluks hij zich vertoont, is elks gemoed bezweken,

Als hij meer God gelijkt dan eenig sterflijk mensch.

18. Dat Memfis 't hoofd inhaal, en vrij den moed laat dalen

Voor 't glinstrende kasteel, dat in de bergen ligt; Dat Sidon niet eens droom deez' spitsen t'achterhalen, En Tyrus elders wend' haar schaamrood aangezicht.

Met offervet.

Sluiten