Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19. Zij pronkt gelijk de bruid eens konings hoog verheven,

Kleinoodje is haar sieraad, en purper hare dracht; De hemel scheen verliefd zijn trouw aan haar te geven, En heeft om deez' godin alle andere steên veracht.

20. Zij schijnt een Paradijs, omhelsd van zilvren beken,

Een Eden, daar het mann' aan 't hout des levens groeit, Een riekende prieel, dat, nergens bij geleken,

Geen wintervlagen voelt, maar altijd jeugdig bloeit.

21. Zij treedt gelijk een pauw, wiens schemerende schachten

De schoonste vooglen zelf ontluistren heel beschaamd. Maar zacht, mijn zoete luit! daar schiet in mijn gedachten, Dat zij geen roem ontbeert, die alzins is befaamd. 2. PAUZE.

22. 't Zij dat ik dan aanzie, dat binnen uwe wallen

't Hoofd Levi vet gezalfd, en Juda wordt gekroond: Dat ze elk, naar haren staat, op 't allerheerlijkst brallen, En dat d'een 't heiligdom, en d'ander 't hof bewoont;

23. Hetzij, dat ik aanzie, dat gij begrijpt de kooren

Van 't blinkende gewelf 't welk Qode is toegewijd,

Daar Hij de smeekgebeên der heilgen wil verhooren,

•En als wij zijn vervloekt, ons weder benedijdt.

24. Hetzij ik u aanschouwe als 't beeld, dat ons naar 't leven

Een stad voor oogen bootst, waarvan dat iedereen,

Elkeen die van den geest des Heeren wordt gedreven, In 't lest der dagen wordt een levendige steen:

25. Hetzij gij d'afstraal mij wilt van die stad toeschijnen,

Waarvan der vaadren God de wijze bouwer is,

Wiens poorten peerlen zijn, wiens muren zijn robijnen, Een stad die eeuwig blijft, en onbeweeglijk is:

26. Gij zijt Jeruzalem en blijft mijns harten weelde,

Dat Jakob, als hij is ontlast van Babels juk,

Van verre u heil toewenschte, en u zijn zegen deelde,

Dat op uw minnaars daalde een regen van geluk!

27. Vermits de brand des twists neêrbliksemt hooge muren,

En voorspoed in den schoot van vrede en eendracht rust, Moet vrede in u altijd en eeuwiglijken duren,

En 't vuur des dullen krijgs steeds blijven uitgebluscht.

Sluiten