Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28. Om onzer broedren wil, ter liefde van de vrunden,

Die gij een herberg strekt en aangename woonst, Wij hartelijker nog u vrede en welvaart gunden,

En wenschen, dat gij groeit en bloeit op 't allerschoonst.

29. Om d'heilge dorpels ook, die binnen uwe vesten

Geplaatst zijn en betreen van Aarons geslacht,

Ik steeds betrachten wil al 't geen u dient ten besten,

Gelijk een, die uw heil zijn heil te wezen acht.

PSALM 123.

Tot U verhef ik mijn gezicht,

Gij, die verr' boven 't starrenlicht Uw woning in den hemel houdt, Waaruit Gij alle ding beschouwt.

Gelijk een knecht, die nimmermeer De oogen aftrekt van zijn heer,

Maar naarstig op zijn handen let En d'oogen vlug daarnaar verzet;

Of als een dienstmaagd kloek en trouw, Die 't oog heeft altijd op haar vrouw En vlijtig merkt op haar gelaat,

En hoe dat al haar wezen staat.

Alzoo is ook ons aangezicht Naar onzen Heer en God gericht: Met groot verlangen om te zien Of hij na lang vertoef misschien Ten laatsten zich niet eens zal spoên Om ons, zijn dienaars, hulp te doen. Ach, Heer, wees in 't vergeven mild, Laat uwen toorn eens zijn gestild, En kom ons, kom ons toch te baat, Die met een al te trotschen smaad Bespot en schandlijk uitgelacht En van de grooten zijn veracht,

Getergd, gekweld schier tot ter dood: Het lijden valt het hart te groot.

Sluiten