Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Het heidensch volk heeft recht gesproken Daarom is ons nu 't hart ontloken;

De kelen kwinkeleeren,

Vermengd met onzer harp geklank een eeuwig lof des

[Heeren.

PAUZE.

6. Groot is de vreugd, schoon staan onz' zaken; Gij, Heere, kondt ze grooter maken,

Zoo Gij van slavernijen De rest van uw gevangen volk genadig wilt bevrijen.

7. Opdat ze dicht de wegen vullen Wanneer zij thuiswaarts komen zullen,

Gelijk de snelle beken,

Gedreven door den zuidenwind, met kracht ten lande in-

[breken.

8. Wanneer ze door 't geweldig drijven Niet binnen d'oevers kunnen blijven,

Noch haren loop betemmen,

Maar akkers, veld, al wat er is, met baren overzwemmen.

9. Die 't edel zaad moet gaan betrouwen In ongelegene landouwen,

Schier zonder hoop van vruchten,

Zijn hart is hem zoozeer belaan, men hoort hem dikwijls

[zuchten.

10. Maar 't duurt niet lang, zoo krijgt het zegen Door eenen milden zomerregen ;

De zoete windjes waaien;

Dan komt hij dubbel in de vreugd, met blijdschap gaat

[hij maaien.

11. Toen wij ver van ons vader-erven In vreemde landen moesten zwerven,

Lag onze moed terneder:

Maar nu wij 't zoete Vaderland betreden, komt hij weder.

Sluiten