Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 127.

1. 't Zij wat de mensch om handen heeft, 't Zij wat een kloek vernuft bezint,

't Zij wat een wakkre hand begint: 't Is niet, als Ood geen zegen geeft. De mensch mag willen, maar niet meer: Het werk hangt aan den Opperheer.

2. De bouwer bouw' al wat hij kan: Och! zoo er Ood de hand van houdt, Vergeefs, vergeefs is 't wat hij bouwt, Al wat hij doet, het brengt niet an. De waker waak: vergeefs is 't al,

Oaat Godes oog niet om den wal.

3. Vergeefs van 's morgens vroeg geslaafd Tot 's avonds, en het brood der smart Gegeten, met een angstig hart;

Vergeefs den ganschen dag gedraafd; God geeft het, hoe een ander schraap' Dien Hij bemint, als in den slaap.

PAUZE.

4. Zoo gaat het elk, dien God bemint. Wie kindren voortbrengt tot Gods eer, Verkrijgt een erfdeel van den Heer; Wie zich met kroost gezegend vindt, Dat zich oprecht en dankbaar toont,

Ziet al zijn zorg naar wensch beloond.

5. Gelijk de pijlen in de hand

Eens sterken helds, die, fier en blij,

Door hunne kracht zijn weêrpartij Doet zwichten voor zijn tegenstand: Zoo zijn ook, tot der vaadren vreugd, De brave zonen hunner jeugd.

6. Welzalig hij, die, als een held,

Deez' pijlen in zijn koker gaart,

En zijne zonen ziet gespaard.

Zij zullen, schaamrood noch ontsteld, Het hoofd den weerpartijdren biên, En in de poort voor hen niet vliên.

Sluiten