Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 131.

Mijn hart als 't hart der dwazen Is niet prat opgeblazen Dies word ik niet gedreven Om groots en trots te leven, En moedig op mijn krachten Mijn minder niet te achten: En als de stoute rijken Mijn meerder niet te wijken. Ik laat de baatsche zinnen De rede niet verwinnen, En 't hart mij niet bedriegen Om al te hoog te vliegen,

Maar slecht en recht behaagt mij. Is 't anders, Heer, zoo plaagt mij Laat ongeval mijn lot zijn,

Fn CinH nipt mppr tniin OnH 7iin

Een kind dat versch gespeend is, En teederlijk verweend is,

Mag ik mij bij gelijken,

Als die 't in mij doe blijken: Een kind, dat klein en teer is En nog zijn lusts geen heer is, Als 't onlangs heeft gezogen, En nauwlijks is onttogen Aan moeders lieve borsten,

Daar 't keeltje zoo naar dorstten, En 't hartjen door ontfonkten, En d'oogjes zoo naar lonkten, De handjes zoo naar grabbelden, Het tongsken zoo aan zabbelden, De lipjens vast begrepen, De tandjes zoo benepen,

Waaruit het natjen haalden,

Dat door al 't mondjen straalden,

Het natjen dat zoo zoet was,

tn t oest van s moeders Dioea Kan niet zoo treurig stenen En naar zijn moeder weenen;

Sluiten