Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Tot ik een rustplaats voor den Heer Gevonden hebb' te zijner eer,

Daar Jakobs Machtige verkeer',

En Hij, naar mijn gemaakt bestek,

Zijn vaste woningen betrekk'!"

-»• Zie! 't blij gerucht der Ark liep voort, En werd in Efrata gehoord ;

Wij vonden haar in Jaars oord; In 't boschrijk veld van Kiriath, Dat God dusver verkoren had.

5. Wij zullen in zijn woning gaan; Ons buigen, daar zijn troon zal staan, En bidden voor zijn voetbank aan. Sta op tot uwe rust, o Heer!

Met d'Arke van uw sterkt' en eer!

6. Bekleed, o hoogste Majesteit! Uw Priesters met gerechtigheid!

Uw gunstvolk juich', door U geleid; Versmaad hem, dien Gij zalven liet, Om uwen knecht, om David, niet!

PAUZE.

7. Tot staving van de waarheid, deed De Heer, die van geen wanklen weet, Aan David eenen duren eed.

„Ik zal (dus sprak Hij) uwen Zoon Eens zetten op uw glorietroon!

8. Houdt uw geslacht mijn heilverbond, En 't vast getuignis van mijn mond, Die ik hen leer ten allen stond;

Dan is hun 't rijksbestuur bereid, Op uwen troon in eeuwigheid!"

9. Want Zion is van God begeerd,

't Wordt met zijn woning hoog vereerd: „Hier," sprak Hij, die het al beheert, „Hier zal ik wonen naar mijn lust;

Hier is in eeuwigheid mijn rust!

Sluiten