Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Doch 'k richt op U mijn schreiende oogen,

Op U betrouw ik in 't verdriet.

Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet, o Heer! o eeuwig Alvermogen!

18. Bewaar mij voor 't geweld der strikken,

Die tot mijn val mij zijn gelegd,

Door hen, die, wars van 't heilig recht, Het booze doen all' oogenblikken.

19. Dat, die goddloos zijn, siddrend vreezen,

Elk hunner in zijn garen vall';

Totdat ik, onverhinderd, zal Voorbijgegaan en veilig wezen.

PSALM 142.

1. 'k Riep tot den Heer met luider stem; Ik smeekt' en riep vol angst tot Hem.

'k Heb, voor zijn aangezicht, mijn klacht In mijn benauwdheid voortgebracht.

2. Als mij geen hulp of uitkomst bleek; Wanneer mijn geest in mij bezweek, En overstelpt was door ellend,

Hebt Oij, o Heer! mijn pad gekend.

3. Zij hebben, vol arglistigheid,

Een strik op mijnen weg gespreid.

'k Zag uit, in nood, ter rechterhand,

Maar vond noch vriend noch onderstand.

4. 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zoodat mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gansch ontviel,

Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

5. Ik riep tot U, ik zeid': o Heer!

Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer; Gij zijt, zoo lang ik leef, mijn deel,

Mijn God, aan wien ik mij beveel!

Sluiten