Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 144.

1. Nu met een lofzang God geëerd, Die mijnen handen strijden leert,

Mijn vingers oorelogen.

Handhaver, hulp in 't aardsch gewoel, Mijn toevlucht en genadestoel, Beschutter uit den hoogen!

, Ik hope op U, getroost en blij,

Die 't volk mijn troon en heerschappij Heet eeren, dus ootmoedig.

Wat is de mensch, dat Gij, o Heer! Van hem gekend wil zijn met eer, En hem omhelst zoo goedig!

2. Wat is de mensch, of zijn geslacht, Dat Gij hem dus Godwaardig acht,

Die schijn en ijdelheden

Gelijk is, en wiens dag, die schijnt, Gelijk een schaduw, haast verdwijnt! o Godheid! daal beneden Uit uwen hemel, uwe baan.

Daal neder, tast de bergen aan En rotsen, dat ze rooken.

Berst uit met vier en wederlicht: Verstrooi, beschiet ze met uw schicht, Verstoor ze in assche en smoken.

3. Reik mij uw hand van boven toe, Verlos me in waternood, nu moe

Van roepen en van kermen.

Verlos me van 't uitheemsch verbond, Beschut me voor hun lastermond, En onrechtvaardige armen;

Dan zal ik, met een nieuw gedicht En op tien snaren, God verplicht, Met zang en spel U loven,

Die koningen in 't veld bewaart, Uw knecht bevrijdt voor 't reuzezwaard. Verlos me, en zie van boven!

Sluiten