Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. 't Gansche duren van mijn leven

Is in 't welbedacht gedacht Godes eer alreeds gegeven En in wille toegebracht.

Dicht en tale, snaar en stem Zijn mijn dagen lang voor Hem.

4. Word, o mensche, niet bedrogen

Door den glimp van loozen schijn.

Licht het deksel. Wijze oogen Zien de dingen zoo ze zijn.

't Is bedrog al wat men ziet;

't Geen men waant, dat vindt men niet.

5. Stel geen hoop op groote heeren;

Bind u aan geen menschenkind.

Hunne gunsten moeten keeren,

En hun hulp is lucht en wind.

Zoek geen zeekren toeverlaat Bij wie zelf onzeker staat.

6. Bloemen zijn 't die dorren moeten.

Bidt ze nu de morgen aan,

D'avond treedt ze licht met voeten. Zoo gerezen, zoo vergaan;

Wacht u voor der dwazen schaar. D'ijdelheid is staatspilaar.

PAUZE.

7. Zie, de geest, die elk vervaarde,

Ras verlaat hij d'aardschen klomp,

D'aarde moet weer tot de aarde,

En daar ligt de logge romp.

Die zoo hoog verheven was,

Gaat weer tot zijn eerste asch.

8. Al zijn raden en gedachten,

Zijn zorgvuldig overleg,

Al zijn woelen, al zijn trachten Neemt een enkle stonde weg.

't Heel gebouw van groot beslag Valt terneer op eenen dag.

Sluiten