Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keurig gadegeslagen, met de kantteekening, en eenige schriften van voorname Godgeleerden raad gepleegd; en die spreekwijzen niet dan met gelijke stoffen en schriftuurlijke uitdrukkingen aangevuld. Verders hebben wij ons niet alleen bepaald aan de gewone dichtmaat en zangwijzen, maar ook aan de lengte, of het gelijk getal van zangvaarzen en regels; opdat, wanneer dit ons werk in aanmerking mogt komen tot openbaar gebruik, zich te minder zwaarigheid over de invoering zou opdoen; nadien er zekerlijk zoodanigen zullen gevonden worden, die geen afstand zullen kunnen doen van Psalmen die zij van buiten hebben geleerd ; terwijl ouderdom en geheugen niet toelaaten zich aan nieuwen te gewennen.

Het verbergen onzer naamen strekke ten bewijze dat wij er nu noch immer eenigen lof mede bedoelen.

5. In de „Opdragt" van het psalmboek van Voet en zijne medestanders schrijft deze geletterde prediekant o. a.:

„Een Genootschap van Godgeleerden, Taal- en Dichtlievenden, te samen leden der gereformeerde Kerke, merkende de algemeene geneigtheit tot het invoeren van beter berijmde Psalmen dan die van Datheen, heeft zedert eenigen tijd zich bezig gehouden met het ontwerpen van eene nieuwe berijming derzelve; maar de oplettendheid, die dit werk vereischte in een eeuw, waarin de Godgeleerdheid, Dicht- en Taalkunde tot eenen zo hoogen top gesteegen zijn, en de verspreidheid van dit Genootschap door Nederland, gepaard met veele andere beletzelen, hebben dit werk

traag doen voortgaan. ,, , ,

In de berijming dezer Psalmen hebben wij ons de volgende

regels voorgesteld:

Vooreerst: de Nederlandsche aangenomen overzetting zo nabij te volgen, als het ons mogelijk was.

Ten tweeden: de woorden of uitbreidingen, die tot aanvulling der zangwijzen vereischt wierden, te ontleenen uit de woorden en spreekwijzen, van welke zich de heilige Dichters op andere plaatsen bedienden.

Ten derden: de oostersche spreekwijzen, zo veel ons mogelijk was, te vermijden, of in diergelijke Nederlandsche na te volgen.

Ten vierden: den zwier der dichtkunde niet zo ver toe te geeven, dat men voor onvatbare verstanden den zin verdonkerde.

Sluiten