Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest van dit oorspronkelijke wist weer te geven ook in eigen werk, die het vreemde en het eigene wist te vereenigen tot een zoo harmonieus geheel. De bewerking der psalmen is Camphuysens zwanezang geweest. Aan dat werk heeft hij zijne leste, zijne beste krachten gegeven. Den ganschen dag bezig in zijn vlaswinkel, moest hij de uren voor dat werk uitkoopen 's avonds laat en 's morgens vroeg. Kort na de voltooiing werd hij zwaar ziek en moest het bed houden; dat ziekbed is zijn doodbed geworden. Doch niet de nadering van den dood was de gedachte die hem, toen hij ziek werd, het meest vervulde. „Als dese sieckte hem eerst aenquam, seide hij: de Heere sij gedanckt en gepreesen: het psalmboek is voltrocken." Veertien weken later is hij gestorven."

Reeds door deze psalmvertaling en - uitbreiding is Camphuysens naam onvergetelik voor onze Nederlandse poezie.

Vondels vertaling verscheen in 1657, ofschoon hij veel vroeger reeds enkele psalmen overbracht. Hoe de harpzangen zijn geest vervulden blijkt o. a. uit zijn prachtig lofdicht: De Koninklike Harp.

9. Het is onder het zingen van, waarschijnlik de honderdvijftiende, psalm, dat 21 Juli 1566 te Antwerpen de beeldenstorm werd aangevangen. Door het aanleiding geven tot de beeldenstorm mag men, in zekeren zin, wel zeggen, dat de Psalmen van Dathenus de verdere Hervorming in Nederland gestuit en gestremd hebben; hoewel zij de openbare Godsdienst der Hervormden een onveranderlike plooi gaven.

10. Ook de Zwitserse Hervorming gaf van hare ingenomenheid met de psalmvertaling de duidelikste bewijzen. Was het niet op aandrang van Calvijn, dat de beroemde Clement Marot vele psalmen in Franse verzen overbracht? De Dauphin (later Hendrik II) koos psalm 42 tot zijn lievelingspsalm, die hij bij het jachtvermaak gaarne deed horen. - Hij spaarde er echter het wild niet voor. De Hertogin van Valentinois, de bekende Diana van Poitiers, was gewoon psalm 130 op de wijze van een danslied te zingen, terwijl de Koningin de zesde psalm op ene melodie, aan een lied der hofnarren ontleend, placht aan te heffen. Men zou bezwaarlik de tegenwoordige melodieën voor jacht, dans of narredeun kunnen gebruiken; dit is in zoverre gelukkig, ofschoon een herziening van enkele melodieën ons niet ongewenst zou toelijken. Hoe men vroeger het heilige en het onheilige dooreenhaspelde blijkt ook uit

21

Sluiten