Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alwin

Dat er ook strijd-in-liefde wezen kan, dat zij Wel naast elkaar bestaan zonder elkanders moord ; Dat veel verdriet wordt weggenomen met 'en woord, 'En vriendlik, geef hun van je zelf iets; 't enerlei Van 't rugge-krommend werken maakt, dat niemand hoort Naar 't Hoogre.

Teda. Juist — en als ik daarnaar luistren wil,

Dan drijft u mij van hier ; 't is toch zo mooi in 't woud : Straks hoord' ik klare stemmen, nu is alles stil. Ik wou, u hoorde z' eens : ze lieten u niet koud, U zelfs niet, vadertje ; u houdt wel niet van dromen, Maar zulke lokten u toch onder deze bomen.

Donar. Och kom, kind, leven is geen droom ! Wees wijs en

werk

Je taak af ; 'k wees je 'n heerlike aan op aard, 'En taak, die maakt en ziel en lichaam sterk En honderden van maanlichtdromen waard.

Teda (hoort niet meer, maar ziet wazige wezens).

Heerlike, omhulde, halflichte wezens Blonken daar ginds : o blijf mij toeglanzen.

Heerlik ! iets hogers, iets hemels te zien :

Naar 't aardrijk is Teda's trek noch verlangen. Vadertje, 'k vraag niets verder, als u Hier ons hutje maar heenbrengen wilt.

Donar (ziet telkens in het bos, maar ontwaart niets). Kom, kindje, laat ons gaan : ik moet jë iets

Sluiten