Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eefje.

Zeker, vader.

Madzer.

En als mijnheer Maartens komt, wijs liem dan zijn kamer en vraag hem of hij nog iets noodig heeft.

Eefje.

Best, vader.

Madzer.

En zeg hem, dat het me spijt, dat ik hem niet van 't staiion kon afhalen, maar dat ik absoluut naar de houtverkooping moest. Als je daar niet persoonlijk bij bent, dan is dat zoo'n dingzigheid — dat zal hij ook wel weten.

Eefje.

Wat ik zeggen wou, vader dat is immers die mijnheer Maartens, die al lang geleden hier ook al eens geweest is?

Madzer.

Herinner je je dat nog?

Eefje.

Eigenlijk was ik het vergeten, maar gisteren zei Frans het me.

Madzer.

Wie?

Eefje.

F rans.

Madzer.

O, maar je kondt het anders uit je eigen memorisatie wel weten, 't Is nu zes jaar geleden ; je was toen een meisje van dertien jaar.

Eefje.

Ja wel, vader, ik weet het nu wel weer. Hij heeft toen bij ons gewoond en hij was altijd zoo aardig en vriendelijk tegen me. Het was toen 't station hier gebouwd is.

Madzer.

Precies; — dat heeft mijnheer Maartens gebouwd.

Eefje.

Maar, vader, waarom logeert hij niet bij mijnheer en mevrouw Swaan? dat zijn zulke goede vrienden van hem?

Madzer.

Iloe weet je dat?

Eefje.

Dat heeft Frans me verteld.

Sluiten