Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F rans.

Dat weet ik. En — wat dunkt je, Eefje, zou ik eens niet hein spieken?

Eefje.

Of je eens met hem zou spreken? Wel, dat doe je immers zoo dikwijls.

Frans.

Och, je begrijpt wel, wat ik meen. Zou ik niet eens met hem spreken over zie je, over ons beidjes, hè?

Eefje.

Neen, Frans, neen, dat zou je niets helpen. Ik weet te goed, hoe vader daarover denkt. Eerst een ordentelijk bestaan hebben, en dan

Frans {wrevelig).

En dan, en dan. Dat is eeuwig en altijd het oude liedje. En ze maken het je hoe langer hoe moeilijker, om een goed bestaan te krijgen.

Eefje.

Foei, Frans, nu begin je weer te pruttelen, precies als laatst toen je met dien leelijken Dreij gesproken hadt. Wij zijn nog jong genoeg; we kunnen immers nog wel wat geduld hebben.

Frans.

Daar heb je 't alweer: geduld hebben, geduld hebben — ja, zie je, daar komen ze altijd meê aan. Als je jong en flink bent en je wilt werken,maar je komt dan toch niet vooruit, dan is het maar: geduld hebben. En je wordt ouder en blijft altijd in de zorgen — geduld hebben, het zal wel eens beter gaan! En eindelijk ben je met tobben en sjouwen stokoud geworden, dan zeggen ze: draag je lot geduldig, -— hiernamaals hebben we het allemaal goed. Neen, dat is niet in orde. Dat is niet zoo als het: wezen moest. Ik heb dan zooveel geduld niet.

Eefje.

Maar, Frans, daar zou ik maar niet te veel aan den ken ; daar kunnen we toch niets aan doen.

Frans.

Dat kunnen we wel, Eefje. Jij niet, neen, — maar ik en anderen wel ; en dat is in den tegenwoordigen tijd de plicht van iedereen, die graag alle menschen gelukkig zou willen zien.

Eefje.

Ja, ik weet dat zoo niet. Je bent veel knapper dan ik,

Sluiten