Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrouw klezel.

Neen, jongen, dal geloof il< niet.

F rans.

Dat is me genoeg. Wat de anderen denken, kan me niet schelen. Maar doen zal ik, wat recht is, al moest het me... ja, misschien (bewogen), ik weet het niet — misschen zal

het me veel kosten En toch (zich herstellende) toch

heB ik vertrouwen, dat alles nog terecht zal komen. (Luchtig). Maar kom, kom, moedertje, haal je toch geen al te nare gedachten in het hoofd. Heusch, alles zal nog terecht komen. Ga nu maar gerust naar je kamertje. Ik moet nog een paar boodschappen doen en hier nog iemand spreken, en van avond kom ik weer bij je en we zijn weer vroolijk. Dag, moeder. (Hij kust zijne moeder en gaal weg).

Vrouw Kiezel.

Van avond? Och, wie weet wat de avond nog brengen zal. (Zij neemt hoofdschuddend haar poetsgerij bij elkander en gaat langzaam naar de deur).

TWEEDE TOONEEL.

Vrouw Kiezel, Valk, Wentink.

wentink (die met Valk opkomt).

Dag, vrouw Kiezel.

Vrouw Kiezel.

Dag, burgemeester; dag, mijnheer Valk.

Wentink.

We kwamen daar je zoon Frans tegen. Je moogt wel eens ernstig met hem spreken. Hij doet domme dingen.

Vrouw Kiezel.

Och heeren, wat kan ik zeggen ? Maar hij doet toch geen plechtigheden ; doet hij wel ?

wentink.

Slechtighedeil ? Dat wil ik nu wel niet zeggen. Maar al wat niet slecht is, dat is daarom toch nog niet goed. Maar spreek maar eens met hem ; hij zal naar zijn moeder wel Klisteren.

Vrouw Kiezel.

Ik wil het wel doen. Maar och, denk niet slecht over hem -— denk niet slecht over mijn jongen.

(Af/

Sluiten