Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dreij.

Eigendom is diefstal. Heb je dat nooit meer gehoord? .

Wentink.

Neen, nooit. Ik wil het wel gelooven, maar begrijpen doe ik het niet. Misschien, dat mijnheer Valk het begrijpt, want die heeft in de rechten gestudeerd.

Valk.

Ik zal eerst nog eenige nadere uitlegging dienen te hebben. (Tot Dreij). Bijvoorbeeld, waar heb je dien hoed gestolen

Dreij.

Wat ? Je zult me toch niet voor een dief houden ? Dien hoed heb ik eerlijk gekocht en betaald.

Valk.

Ik twijfel er ook niet aan dat hij uw eigendom is.

Dreij.

Wis en waarachtig is hij dat.

Valk.

En eigendom is diefstal — dus dan moet hij ook gestolen zijn.

Dreij.

Advokatenj! anders niet. — Als je zoo wilt redeneeren

Wentink.

Neen, Valk, zoo moet je niet redenecren. Mijnheer de burger heeft gelijk: sijn hoed komt hem eerlijk toe, maar jou hoed en mijn hoed, dat is diefstal — ten minste als ik hem goed begriip. Je zoudt dan ook eigenlijk moeten zeggen: het eigendom van een ander is diefstal. — Je kunt niet alle menschen over ééne kam scheren.

Valk.

Dat geef ik toe ; alle menschen zijn ook niet gelijk.

Dreij.

Wat blief je? Zijn alle menschen niet gelijk? Dat is weer een van die kapitalisten-praatjes. — En juist over de gelijkheid, daar kun je de mooiste hoofdartikelen over schrijven. Daar ben je nooit over uitgepraat.

Wentink.

Hoor eens Valk, dat kun je niet ontkennen — alle menschen zijn gelijk. Nu is het wel waar (met een zijdelingse hen blik op Dreij) als ik sommige menschen aan-

Sluiten