Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frans.

Maar — voordat ik het vergeet — ik wou je van middag al gevraagd hebben: wie was dat, die van morgen vroeg bij je geweest is?

Dreij.

Bij mij ? Geen mensch.

Frans.

Geen mensch? En ze hebben me gezegd, dat er van morgen hier iemand is geweest uit Amsterdam, die met je gesproken had.

Dreij.

Met mij ?

Frans.

Ja, dat vertelden ze, en later is de politie naar hem komen informeeren.

Dreij.

De politie? Daar weet ik niets van.

Frans.

Hoe komen ze dan aan die praatjes? Want dat zijn dan maar praatjes, niet waar?

Dreij.

Dat is te zeggen wacht eens ja, ja, daar dacht

ik niet aan, ja wel — och,ik heb zooveel aan mijn hoofd. Nu weet ik, wat je meent. — Zeker, dat 's waar ook -. van morgen is een vrind van me hier geweest, die me spreken moest; juist over de groote zaak in Amsterdam. Weet je wie dat was?

Frans.

Neen.

Dreij.

Dat was die vrind, waar ik je van verteld heb, die alles opgeofferd heeft en nu door de politie vervolgd wordt. Ei — heeft de politie naar hem geïnformeerd? Dat wist ik niet.

Frans.

O, was het die? Nu, dan begrijp ik het. Het spijt me, dat ik hem ook niet gesproken heb.

Dreij.

Niet waar? O, je zoudt er pleizier in gehad hebben. Een flinke kerel. Je zult hem later wel leeren kennen.

Frans.

Dat hoop ik. Maar wal wou je me nu verder vertellen?

Sluiten