Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is merkwaardig, dat hij gedurende dit tijdvak van huiselijk geluk geheel en al in Schopenhauer opging. In 1869 schreef hij aan Feth: «Weet gij, wat mij dezen zomer overkwam ? Ik was voortdurend in verrukking over Schopenhauer en had eene reeks van geestelijke gevoelens, die ik tot dien niet had gekend. Ik weet niet of mijn gevoelen over Schopenhauer zich nog zal veranderen, maar op het oogenblik is het mijne overtuiging dat Schopenhauer het grootste genie is. Het is mij onbegrijpelijk. dat hij zoolang onopgemerkt bleef. Daar is maar eene verklaring voor, die hijzelf dikwijls herhaalt: de meeste menschen zijn idioten.»

Pessimistische redeneeringen verstomden nooit in zijne ziel; zij waren daarin diep verborgen, maar wanneer zij te voorschijn kwamen, voerden zij hem bijna tot zelfmoord. Ook in «Krieg und Frieden» is dit pessimisme terug te vinden. Aan dit werk, dat hij zevenmaal heeft omgezet en overgeschreven, besteedde hij vijf jaren. Het eerste deel verscheen in 1867; het laatste in 1869.

Fugene Ssolowjow schrijft: «Krieg und Frieden» kan slechts met de Iliade worden vergeleken. Daarin vinden wij, evenals hierin, een strijd om het bestaan van een geheel volk; in beide verdwijnen de volksmenigten niet van het tooneel; altijd en overal gevoelt men hare tegenwoordigheid en zij zijn het, die de gebeurtenissen leiden. De theorie van den oorlog, de historisch-wijsgeerige beginselen van Tolstoy, het lot zijner hoofdpersonen, worden door het volk bepaald en geregeld. Het volk is de held van den roman en men zoekt te vergeefs naar een anderen. Het volk heeft zijne vertegenwoordigers

Sluiten