Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog zonderlinger is het, dat ik slechts Hem naar waarheid kan liefhebben; dat is: meer dan mijzelf en meer dan alles. In deze liefde is noch een onderdrukken, noch een zich-verwijderen (integendeel, steeds een naderen); er ligt in haar niets zinnelijks, niets kruipends, niets dat slaafsch is, geene vrees, geene zelf-bevrediging. Alles, dat goed is, bemin ik slechts door deze liefde; daaruit volgt, dat ik slechts door en in 1 lem liefheb en dienovereenkomstig leef.

Het begrip van den oneindigen God, van de goddelijkheid der ziel, van de betrekkingen der menschelijke daden tot God, zijn begrippen, die in de verborgen oneindigheid der menschelijke gedachte werden gerijpt; het zijn begrippen, zonder dewelke er geen leven zou zijn en ik niet zou bestaan.

Wanneer ik ben, dan is daarvoor een oorzaak, en eene oorzaak der oorzaak, en eene laatste oorzaak. Dit is, hetgeen men God noemt. En toen ik tot de overtuiging kwam, dat er zulk een oorzaak bestaat, ~ dat er eene kracht, een begrip bestaat, waardoor ik

besta, verdwenen onmiddelijk mijne vrees en mijn

gevoel van verlatenheid, en ik gevoelde de mogelijkheid van te leven.

Sluiten