Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is mij voldoende te weten, dat alles, waardoor ik leef, zich heeft gevormd uit het leven der vóór mij geleefd hebbende en reeds lang gestorvene menschen, en dat om die reden iedere mensch, die het verbod des levens vervult, die zijne dierlijke persoonlijkheid aan de rede heeft onderworpen en de kracht der liefde verwezenlijkt, na het voorbijgaan van zijn lichaamlijk bestaan ook in andere menschen heeft geleefd en leeft - om nooit meer door het dwaze en verschrikkelijke bijgeloof van den dood te worden gekweld.

Hoe eng de kring der werkzaamheid van den mensch ook moge zijn, hetzij hij Christus of Sokrates, een goede onbekende zelfverloochenende grijsaard,' een jongeling of eene vrouw zij, wanneer hij, zijne persoonlijkheid verzakende, voor het geluk van anderen leeft, treedt hij reeds in dit leven hier in die nieuwe betrekking tot de wereld, waarvoor geen dood bestaat; hij beantwoordt aan die voorwaarde, die voor alle menschen de taak van dit leven is.

Ik ben door den Wil Gods in deze wereld gesteld. God heeft mij de wet en de geboden gegeven, waarnaar ik heb te leven, en eene nog meer duidelijke aanleiding daartoe heeft hij mij gegeven in de leer en het leven van Jezus Christus. De beteekenis des levens ontsluit zich eerst dan, wanneer overeenkomstig deze leer wordt geleefd. En hoe meer ik mij beijver dat te doen, hoe duidelijker mij de beteekenis van het leven wordt.

Sluiten