Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE TOONEEL.

De bediende, Wouters, Van der Kaai.

(De bediende in de deur kondigt met luide stemme aan:)

De heer en mevrouw Walden!

(Dezen treden binnen. Terwijl zij langs de reien der gasten heengaan — Anna trotsch en koud met iets melancholieks; fluistert de advocaat tot v. d. Kaai:)

De advocaat. Wat 'n geluksvogel, die Walden zulk eene vrouw de zijne te mogen noemen.

V. d. Kaai. Misschien; naar ik hoor moet 't huwelijk niet al te gelukkig zijn.

De advocaat. Wat zegt je? Arme vrouw. Zij ziet er juist naar uit als iemand, die veel behoefte heeft aan groote sympathie ; naar 'k geloof een echt artistiek, hartstochtelijk persoonlijkheidje vol karakter.

V. d. Kaai. Je hebt 't werkelijk bij 't rechte eind. Wie overigens zijne behoeften aan sympathie bij haar eigen man niet bevredigd vindt, kan 't daarbuiten zoeken. Nu adieu; ik moet even bij de juist-aangekomenen mijn compliment maken. Ik ben nog al intiem daar. (Hij verwijdert zich).

VIERDE TOONEEL.

De advocaat.

De advocaat (alleen; in gedachten). Wat zegt hij ? „Moet 't daarbuiten zoeken!" Wat 'n cynische koelbloedigheid toch tegenwoordig om over alles, wat men ons geleerd heeft als min of meer heilig te beschouwen, te oordeelen! Moet 'n vrouw als mevrouw Walden, mooi, begaafd, niet vindend in haar wettigen echtgenoot wat haar bevredigt, daarbuiten die

Sluiten