Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. d. Kaai. Ik ben 't met u eens, mevrouw; 't is banaal dit feestvieren. Toch, als ik u een idee kon geven van 't genot dat ik gesmaakt heb, toen ik zooeven de schoonste vrouw van 't bal (hij neigt beleefd) in de pas-de-quatre mocht omvatten.

Anna (geeft hem een tikje met haar waaier). Vleier, die je bent. Kom, laten we dat aan onze jongelui overlaten; laten wij als ernstige menschen onze hoogere belangen bespreken.

V. d. Kaai. Aan mij de eer mevrouw, uwe opmerkingen te hooren over mijn laatste werk, dat ik in uwe handen achterliet.

Anna. Nu, allons donc! Ik vind v. d. Kaai, dat je de verhouding van die twee menschen, die elkaar liefhebben wat al te idyllisch geteekend hebt; 't zijn geen menschen meer; 't

zijn engelen; dit is voor mij te weinig waar, te conventioneel.

V. d. Kaai. Bedenk wel mevrouw, dat „liefde" 't hoogste geluk is voor den mensch, dat men dus de verhouding tusschen twee menschen, die elkaar waarlijk liefhebben, niet innig genoeg schetsen kan.

Anna (droevig), 'k Geloof, dat tusschen twee menschen, die elkaar zoo innig liefhebben als deze, bijna nooit eenigen band tot stand komt. Al hetgeen in deze wereld wat al te mooi is sterft zijn eigen dood; zoo zou ik 't ook in uw werk beter gevonden hebben als met Jeane en Prits in een zoo etherische liefdesbetrekking tot elkaar stonden als nu 't geval is.

V. d. Kaai [innig), 't Was me, toen ik schreef, als gaf 'k mijn eigen gevoelens, mijn eigen hartstocht, als was 't mij of ik zelf zou zijn als Frits, als zou slechts eene Jeane mij gelukkig kunnen maken.

Anna (half ernstig half schertsend), 'k Weet niet of't voorwerp van uwe genegenheid te benijden of te beklagen zou zijn, met een zoo bovenaardsche liefde.

Sluiten