Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Henny. Zou het? En zij spreekt daarover nooit, zelfs niet tegen mij.

Joan. Ja, ik laat dat zoo maar. Zij is nog heel jong. Zij komt mij altijd vragen om te luisteren, als zij iets gemaakt heeft. Anders spreekt zij er niet over.

Henny. Maar dan wil ik toch even...

Joan. Stil nu maar. Baptist is al bij haar. Blijf u nu tenminste liggen tot uw mama met 't opruimen klaar is.

Mevrouw. Niemand meer koffie?

Sommigen. Neen, dank u.

Henny. O, ik vind het wel heerlijk, nog even zoo te rusten. — U spreekt over uw eigen indruk maar weinig.

Joan (met aandrang). Ik houd mij in.

Henny. Ik was ook wel een beetje verwonderd, dat ik u in de pauze niet zag. Men heeft toch altijd wel behoefte aan vriendschap. Ik ben er al werkelijk zoo aan gewoon, dat u naast me staat, dat ik mij niet eens meer afvraag, waaraan ik het verdien. Ik zou u missen, als gij er niet waart. Ja, ja, ik beken het, ik miste u, ik voelde me al te alleen toen ik weer moest opkomen, (gaat droomerig voort; schijnt den zin en den indruk harer woorden niet bewust). U doet mij goed; gij zijt een trouw kameraad.

3

Sluiten