Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als iemand tot hem komt met den uitroep: „Goede Meester", dan wijst hij, van zijn onvolkomenheid zich bewust, dien eeretitel af en zegt: „Waarom noemt gij mij goed? Niemand is goed dan God alleen" (Mare. X : 18). In den hof Gethsémané is hij, met het oog op zijn naderend lijden, bedroefd en beangst tot stervens toe, voelt hij op echt-menschelijke wijs behoefte aan den steun en de deelneming zijner discipelen en smeekt hen dringend: „blijft hier en waakt met mij". Als hij na een korte afzondering tot hen terugkeert, vindt hij ze, door vermoeienis en aandoening overmand, in slaap gevallen en zegt op weemoedig-verwijtenden toon tot Petrus: „Zoo kondt gij dan niet één uur met mij waken". En als hij in die afzondering neerknielt en zijn beklemd gemoed uitstort, dan staat zijn wil voor een wijle tegenover den goddelijken wil. Dan smeekt hij „niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt". Eerst na zwaren strijd en herhaald gebed gelukt 't hem zijn eigen wil geheel aan dien van God te onderwerpen en de bende die hem komt gevangen nemen tegemoet te gaan (Matth. XXVI: 36—46). Ja nog hooger stijgt zijn gevoel van twijfel en wanhoop, als hij

4

Sluiten