Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het kruis, door zijn vijanden bespot en door zijn vrienden verlaten, in dikke duisternis gehuld, den kreet slaakt: „Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?" (Matth XXVII : 46).

Deze echt menschelijke Jezus deelt de verwachtingen en dwalingen van zijn tijdgenooten. Hij stelt zich den duivel voor als een persoonlijk wezen (Matth IV : 1—11); hij beschouwt lijders aan zenuwziekten en andere kwalen als bezetenen door den duivel en werpt den duivel uit hen uit; hij noemt met de Joden van zijn tijd Beëlzebub den overste der duivelen (Matth. XII : 22—28); hij kent aan iederen mensch een beschermengel toe (Matth. XVIII : 10); hij verwacht het wereldgericht tijdens het leven van het toenmalige geslacht (Matth. XVI : 28).

Doch tegenover dien menschelijken staat in de evangeliën een goddelijke Jezus, wonderbaar geboren en in den eigenlijken zin de Zoon van God (Matth. I : 18—20); reeds op twaalfjarigen leeftijd van zijn innige verwantschap met den Vader zich bewust (Luc. II : 49); bij zijn doop in den Jordaan voor Gods geliefden Zoon verklaard (Matth. III: 17); heerschend over de krachten der natuur, over de

Sluiten