Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naam op de Synode te Middelburg zichzelven wegens onrechtzinnigheid hebben aangeklaagd en een kerkelijk oordeel over zich inriepen.

De zooeven medegedeelde eisch, dat zij, die bezwaar hebben tegen eene als zoodanig gesignaleerde afwijking van de b e 1 ij d e n i s zich van nu voortaan uitsluitend zullen beroepen op eene stelselmatige uit eenzetting van denkbeelden, waaraan die afwijking ten grondslag ligt, moet van meet af worden gewraakt, opdat de laatste dwaling niet erger zij dan de eerste.

Dit is niet wat men, om eene ietwat triviale uitdrukking te bezigen, gewoon is te noemen „spijkers op laag water zoeken".

Het is de bijl leggen aan den wortel der dwaling.

Nu de afwijkende meening in zake Artikel XXXVI eindelijk aan het oordeel der Kerk onderworpen is, houde men voet bij stuk en legitimeere eerst zijn goed recht om op die wijze af te wijken.

Had men vóór 1886 zichzelven geen brevet van getrouwheid en rechtzinnigheid uitgereikt, men zou eene andere en meer normale oplossing van het kerkelijk vraagstuk hebben gezocht.

Immers men kan anderen een recht niet weigeren, dat men voor zichzelven opeischt. Dit geldt dus met name van het recht om af te w ij ken van de confessie.

Dit recht veronderstelt op gereformeerd standpunt én het normeerend gezag van GodsWoord én het Dogmatisch gezag van de kerkelijke vergaderingen.

Is hiermede niet de Afscheiding, zoo niet in Ledeboeriaanschen dan toch in Scholtiaanschen zin, is hiermede niet, vooral de Doleantie geoordeeld? wij mogen dan stellig constateeren, dat een persoon of eene vereeniging het recht mist de uit de belijdenis af te leiden beginselen te willen vaststellen, zoolang de Kerk zich niet heeft uitgesproken over het preliminaire vraagstuk.

Sluiten